Ik zou het allemaal aankunnen ware het niet voor dat onophoudelijk kloppen.
Oh, mijn hoofd… Alsof ik in de toren van de Notre-Dame sta. Het galmen van de beiaard. Alles klopt en gongt en echoot, dat hels herhalend monsterlijk kloppen. Slag en Slag en Slag. Zo ritmisch, alsof iemand een metronoom op de klokken heeft gezet. Ik kan mezelf niet eens horen denken, alles draait, waar is de grond, mijn-
Waar ben ik zelfs. Alles is aardedonker, en de lucht. Dikker dan die in de Noord-Congolese jungle. Het kloppen is minder, even toch precies. De grond klopt mee hier, op en neer, even ritmisch als die klokken. De dingen die ze hier hebben hangen zullen tonnen wegen om deze kamer te doen daveren. Ik kan amper ademen met die soep van lucht. En dan is er die stank! Ook die ken ik uit de Noord-Congolese jungle. Een geur die je niet vergeet, hoe lang je ook leeft. Bloed. Veel bloed. Eens er genoeg bloed heeft gevloeid op een plaats, verandert de geur ervan. Aards wordt ijzerig, licht wordt zwaar. Ik geloof dat de grenzen van het Kivu-meer nog steeds zo ruiken als deze plek. Niet aan denken, beter me af te vragen waar ik ben. En of er hier water is… Mijn keel is gevuld met zandspikkels.
Volgens mij geeft de vloer mee als ik erop duw. Ik probeerde net recht te staan en zette mijn hand voor steun. Normaal hoeft dat niet maar mijn gevoel voor balans is volledig naar de knoppen hier met dat duivels gedreun. En dan geeft de vloer mee, of zakte die in… Maar op een elastische manier. Alsof ik een rekker uittrok. Wat is deze plek? Als ik gewoon een lamp of iets zou hebben. Maar ik heb zelfs geen zakdoek om mijn zweet af te vegen dat aan mijn voorhoofd kleeft. Het loopt er gewoon af, zo warm is het hier. Om te stikken.
AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
WAT WAS DAT? Ineens begon de klok veel sneller te luiden. Tot nu toe altijd met gelijkmatige intervallen op de seconde. En dan plots begon het te versnellen, veel sneller te bonzen, twee, drie keer per seconde. Mijn hoofd leek te barsten en lijkt nu nog steeds in tweeën te scheuren. Ik moet flauw zijn gevallen want ik kan me niet herinneren dat het stopte. Ik moet hier weg! Ik ben te lang aan het dralen op een plek, ik ga sterven als ik hier blijf. Ik weet het zeker.
De vloer is echt gemaakt van een soort latex-achtige stof. Heel glad en tegelijk geeft elke stap mee. Ik heb mijn schoenen uitgedaan om meer grip te hebben maar de eerste paar stappen op deze onaardse grond deden me meteen ze terug aandoen. Ik voelde de klokken door mijn voetzolen maar erger, de vloer lijkt gemaakt van iets… Iets dierlijks. Hetzelfde gevoel van meegeven als een rauwe steak die is platgeslagen en waar je kruiden in kneedt.
Tijdens het wandelen kwam een nieuwe gedachte kwam bij me op, één die niet met deze plek had te maken. Ik was met een man onderweg naar ergens. Hij had een Franse naam, Louis of Charles of zoiets. Ik vond dat gek, want ik was helemaal niet in Frankrijk. Ik was in… Oh het ontglipt me. En dat vervloekte bonzen helpt niet om te focussen.
Volgens mij stroomt er een rivier direct onder de grond, één die samen met de klok pulseert.
Ik ben een muur tegengekomen van hetzelfde materiaal als de vloer. Deze was ook vochtig. Nee, niet vochtig, dan lijkt het maar waterdamp. De muur was nat, er dropen druppels af. Mijn dorst was te groot en ik wou zo graag drinken, maar het idee van mijn tong tegen die wand… Ik heb wat druppels op mijn vingers gedaan en die opgelikt. Vies goedje, kleverig, vettige smaak die lang blijft hangen en warm. Bitter warm op een manier. Ik heb het nog eerder gedronken, ik kan het gewoon niet plaatsen, zoals zoveel dingen.
Met over de muren te strijken ben ik er ook achter gekomen dat iemand (of iets, maar daar denk ik liever niet aan) erin gekerfd heeft. Kleine inkepingen die zich blijkbaar wel herhalen maar niet heel duidelijk zijn wat er precies is ingekerfd. Ik dacht eerst dat het gewoon horizontale lijnen waren, maar nu lijkt het groter te zijn geworden. Het is de enige referentie die ik heb dat ik beweeg. Buiten dan het kloppen.
Een andere herinnering is ook gekomen: Die Fransman. Ik dacht daarnet dat hij me misschien hier had opgesloten maar ik kende hem, vond hem zelfs leuk. En dat zegt veel voor mij. Ik denk dat we zelfs al een paar maanden aan het daten waren. Nee, hij is niet de reden dat ik hier ben. Dat geloof ik niet. Toch moet er een reden zijn dat ik hier ben. Iemand heeft mij hier opgesloten. Geen aanwijzingen, nog zoiets geks. Alles hier is gek.
Ik heb geprobeerd te slapen maar zo simpel is het niet. Ik volg de muren nu in de hoop iets tegen te komen maar tot nu toe is enkel het geluid van de klok veranderd. Meer een soort snaardrum, elke slag gevolgd door een strakgespannen sidderen. Het verstoort mijn poging tot slapen omdat ik niet kan wennen aan het lawaai. Daarbij slaap ik met mijn rug tegen de wand. Ik wil niet met mijn hoofd bij de grond komen. Het is al erg genoeg om met mijn rug te schokken van de muur weg.
AAAAAA-
Ik moet in slaap zijn gevallen, want toen ik wakker werd, was dat meervoudig slaan er weer alleen veel luider, dichter op een manier. Het schudde me door elkaar, de vloer en de muur nu ook, meer trillend en botsend alsof ik in een aardbeving was verzeild. Dan plots niets meer. Weer het bewustzijn verloren. Ik moet me gelukkig prijzen dat de menselijke geest soms gewoon stopt als het teveel wordt.
Ik wandel verder, moe, dorstig, ik heb honger maar ik denk niet dat ik hier eten ga vinden. Ik vind het met het uur raarder dat ik nog niets van mensen heb gezien of gehoord. Gevangenschap doet me weinig, daarvoor ben ik te vaak geboeid geweest maar dit aanhoudend donker niets… Het beklemt me op een manier. Misschien is dit wel de hel, of een vorm van het vagevuur. Dingen die niet bestaan.
Weet je, nu ik over die Fransman blijf denken: ik had die wel echt graag. Hij had zijn kantjes, een rare kwibus soms, maar deed geen vlieg kwaad. Met zijn boeken over alchemie en Middeleeuwse transformaties die doorheen zijn flat lagen. Ik heb ook mijn hobby die mensen hun neus doet optrekken: hoarders hun huis helpen kuisen. Ieders zijn eigen zeker. Waarom blijf ik bij hem terugkomen? Ook, en niet onbelangrijk: Ik was in Italië, Firenze om specifiek te zijn. Wat ik niet zou geven om nu door die straatjes te kuieren, in plaats van deze vervloekte, ovenwarme plek.
Ik kan mezelf niet meer horen… Het duurde een tijdje voor ik wel en goed besefte dat dit zo is, omdat het kloppen niet is gestopt. Maar ik kan niets horen, ik kan zo luid schreeuwen als ik wil, maar er komt geen klank meer binnen. Mijn oren moeten gesprongen zijn met de laatste aardbeving. Op een manier is het een verlichting, nu moet ik de drums niet meer horen.
Ik ben veertig mijl begraven onder de grond.
Alles voelt laf aan, de lucht, mijn designer kleren die nu waarschijnlijk doorweekt zijn van zweet en het vocht van deze plek, zelfs mijn binnenste voelt dik en gezwollen. Alles lijkt geladen, als ozon na een onweersbui. Ik ben aan een soort oever gekomen, ik voel het water ervan door mijn schoenen glijden. Aanzwellen en afzwakken, aanzwellen en afzwakken, alsof het met het kloppen samenhangt. Maar dat kan niet.
Alles kan in deze plek.
Fernando! Geen Fransman! Een Italiaan. Ugh, waarom is mijn hoofd zo vol lood gegoten. Als ik gewoon wat sneller dingen zou kunnen herinneren, zou ik tenminste iets nuttig herinneren behalve onze laatste date (die rampzalig was). Waarom was die rampzalig… Gingen wij uiteen? Waarom dan?
Ik volg nu de rivier. Het dikke, haast stroperige water moet toch ergens uitmonden. Ik zou een moord begaan voor een lampje, even kunnen kijken naar de grond, dat irritante trampolinevel waarop gewoon het wandelen al mijn balans vergt. Er moet een monding zijn, dat moet.
Neeeeeeeeeeeeeeeeeeeee. Neje, nee nee nee nee neeee fuck fuck fuxk fuxk neeeee. Nee waarom. Waarom zelfs . Laat dit niet hier stoppen. Het moet verder gaan. Waarom is hier een muur?
Een muur. Eén van de meekloppende, bewegende, trampolinevelachtige muren. De rivier stroomt een soort tunnel in, en ik durf niet kopje onder, de stroming zou me meesleuren en ik weet niet waar dan uit te komen. Nee, beter hier te blijven en rond te dwalen dan verdrinken in die stroop. Een muur die me tegenhoudt.
En nog iets anders. Dat kerven in de muur? Ik dacht eerder dat het gewoon lijnen waren, maar hier zijn de uitgesneden vlakken groter. Het lijkt alsof het zich herhaalt, maar ik kan er niet aan uit. Ik heb de volgende letters al gemaakt:
H A N A I O
De hoofstad van Cuba en Vietnam samen, en verkeerd gespeld. Niet echt iets met betekenis dus. Maar het staat hier vol, overal langs deze muur zijn die tekens er.
Op de vloer ook.
Als ik de rivier zou kunnen droogleggen zou dat vervloekte woord daar ook staan.
Ja wij waren uiteen. Onze situationship teneinde. Hij had er last mee… Meer dan ik verwacht had, maar je weet hoe die types zijn. Break ups komen harder aan want ze verwachten niet dat het hete meisje met hen omgaat. Hij zei toen wat rare dingen om me schrik aan te jagen. Dat hij zijn grootmoeders boek zou bovenhalen en mij een lesje ging leren. Ja, van die cursus zeker die hij online volgde. Wat een grap.
Ohnee.
Oh nee nee.
De muur spelt niet Hanaio. Die i is een J. Daar staat Johana. Dat ben ik. Fernando heeft mij hier opgesloten.
DIE KLOOTZAK.
Oh My God als ik hieruit kom, zal ik hem leren te spotten met mij. Mij opsluiten in een grot en mijn naam er honderden keren in kerven en daar dan mij in achterlaten. Moederziel alleen. In een donker gat. Waar alle paden naar deze rivier leiden. Waar elke paar uur de hele kamer schokt en beeft. Zonder uitgang. Zonder slot of sleutels. Alleen.
Ik herinner me nu het laatste dat Fernando riep toen ik hem achterliet. Hij had net een huwelijksaanzoek gedaan, en ik had bot gelachen. Misschien was ik te hard geweest. Hij zei: ‘Jij zit voor altijd in mijn hart Johana. En ik ga ervoor zorgen dat dat ook echt zo gebeurt.’
Ik denk dat het hem gelukt is.
Dit is te veel. Te gek voor woorden. Ik moet rusten, slapen, een plan verzinnen. Er moet een manier zijn om hieruit te raken. En als Fernando denkt dat hij mij hier opgesloten kan houden, dan zal hij nog leren te spotten met Johana Garnier! Maar eerst rusten. Eerst rusten.
Ik zou het allemaal aankunnen ware het niet voor dat onophoudelijk kloppen.
Plaats een reactie