Joris in de schuur

Joris was al lang vergeten wat de naam was van het deuntje dat hij vrolijk floot. Dat vond hij niet raar, sterker nog, hij stond er niet eens bij stil. De tonen waren even vanzelfsprekend als de handelingen waarmee hij de kogels in de laadkamer duwde. 

Twee kogels punt tweeëntwintig kaliber hagelschot in de oude tweeloop, klik, de machine dichtklappen zoals op de kermis. Het deuntje stopt en nu hoort hij het zachte kermen van het paard dat voor hem op het stro ligt. Hij hoort de woorden van meneer Bries in zijn achterhoofd. 

“De rechterachterpoot? Spijtig.” Exact zoals hij ze uitsprak, weet Joris.  

“Ach, wat moet, dat moet,” mompelt hij tegen het paard en zichzelf. Joris is er geen voor het uitgekozen pad te beschimpen. Aanpassen kan je het toch niet, je kan er alleen maar een beetje plezier uit halen. 

Een nieuw deuntje ontsnapt zijn lippen. Gelaten kijkt hij in de tollende ogen van het dier en plaatst het wapen in de holte van zijn ellenboog zodat hij twee handen vrij heeft. Kalm maakt hij de bovenste knop van zijn jeans los, gevolgd door de tweede en de derde. Er is geen haast, niemand gaat nu in de schuur komen, dat weet Joris uit ervaring. 

Zijn pik is nog niet hard en Joris masseert hem met zijn linkerhand terwijl hij de zware tweeloop met zijn rechter terug vastneemt. De meeste mensen hebben twee handen nodig om het logge gewicht te hanteren maar Joris heeft er een truckje voor. Hij is er trots op. Met een beetje wringen knelt hij het wapen onder zijn oksel en heeft zo een kortstondige hefboom. Zeer slim denkt hij dan, zijn vinger rond de trekker gekruld. In zijn linkerhand is hij klaar voor actie en in zijn rechter bijna. 

Hij knielt op het gele stro en plaatst de loop onder de hersenpan van het lange gezicht voor hem. Hij kan de angst zien in de dolle ogen, het wanhopig briesen en bedenkt zich hoe raar het is dat het dier nog strijdt. Zijn vonnis was al getekend toen het in de put stapte. Gelukkig is de pijn zo meteen over en Joris gaat geholpen hebben, het grootste goed dat hij zich kan voorstellen. Dieren hebben geen ziel dus de bijkomende actie is geen zonde, ook dat weet hij goed. Hij plaatst de houten steun tegen zijn schouder, een precaire balans creërend tussen dier en mens en het wapen ertussen. Hij neemt een snelle haal van het speeksel rond de mond van het dier. Dat helpt tegen de wrijving. 

Ineens snel trekt hij, zonder terughoudendheid, het moet nu gebeuren want hoe langer de zonde zelf duurt, des te erger dat het wordt voor hem. Zweet parelt op zijn voorhoofd, op zijn roodverbrande armen, op zijn witte rug waarover normaal de overall sloddert die nu rondom hem ligt. Zijn ogen heeft hij tot spleetjes geknepen, zijn keel voelt benauwd. De wereld verkleint, enkel zichzelf en het paard en het geweer. Bijna! Hij ziet zichzelf vanuit een derde persoon bezig, links van hem, voorovergebogen met zijn lid in de hand en komt zwaar klaar. 

De wand van de schuur kleurt rood en grijs van bloed en hersenblubber, nog een laatste stuiptrekking in het gewonde been en het paard sterft volledig. De mooie bruine vacht wordt gekleurd met witte plekken die snel worden geabsorbeerd. Joris knoopt de jeans terug toe, vol schaamte dat het weer is gebeurd, het portret tegen de wand begint al door de zwaartekracht te zakken. Mevrouw Bries zal straks een stoofpot maken van de restanten, en terwijl hij rechtstaat, herpakt hij het deuntje van ervoor. Voordat hij terug in het stralende licht stapt buiten de muren van de schuur, is Joris al vergeten wat erbinnen is gebeurd. 

Plaats een reactie