Het zijn nog Ik en de Poes

Het zijn nog Ik en de Poes. De vrouw is al gaan slapen, ik mag dat zeggen ook zonder ring, een andere toekomst is niet te dromen.

De poes ligt op een stoel, gaapt angstaanjagend en toont dat ondanks het oppakken, het knuffelen, monkelen, kussen in de nek en op de buik, die mond nog vol oude moord staat. Een witte lijn over mijn pols herinnert mij aan een keer te lang vasthouden.

Ik lig in de zetel. Nog een was in de machine, zeg dankie-sai, en dan roept de wol ook mij. Ik voel de week, het is ocharme woensdag.

De poes reageert op geluiden van buiten, een woord voor lawaai zoals lichtvervuiling bestaat nog niet. Een niche die een doctoraatstudent aan de KUL zich mag toe-eigenen. Samen met welverdiende staatstaxen. De mijne. Ik heb dat woord namelijk nu nodig.

Ergens in den buiten is het stil.

Ergens in den buiten is het donker.

De poes gaapt. Ik ook. De was roept.

Plaats een reactie