Ik hoop deze winter op echte kou
Tegels die barsten in durende guurte
Mond van ochtenstond goed grauw
Ikzelf weet wel beter, meneer zuur de
Laatste elfstedentocht was in
Zevenennegentig
Ik plant te bloeien: noem ze goud en korten
Bloem, plekjes voor bijen, voor hommels
Dommelende drommels hoverend door een
Perkje woud, na een rit door kompels
Land is mijn voorruit proper zo troosteloos
Insecteloos
Zestig jaar zeker nog voortijlen
Keien rollend op de berg tot boven
Mogen dagelijks zijn naast de natuur
Te langer niet meer gegeven gewoon te leven
De opwarming, stuurloos zeilen
Reizend zonder keus, alles eraan geloven
Geloste kadelijn, grijs gehaast natuur
Verander alles sneller snelst, domino effect
Het tij ebt weg, een laatste maal
Een roep, een gil, al uw kabaal
Nuttig zo, de strijd gestreden
De vlag halfstok, Oost van Eden
Plaats een reactie