“Een huis is een plek; een thuis is iets dat je meeneemt.” Ik stiet het uit, plotsklaps, tegen niemand in het bijzonder maar de vrouw in de Albert Heijn rayon keek me nog eens geringschattend aan: weer een zatte student zal ze gedacht hebben. Als haar blik niet zo hard was geweest, had ik verder gegaan: “Het is wel degelijk die uitzet waarover je je het hoofd breekt en dan op de aangewezen dag de rug, die van jezelf en de ingelijfde familie en vrienden. Zet het bed daar, hier zijn de vijzen en de boor; de tafel kan binnen, ik heb nog een laken om krassen op de muur te voorkomen.
“De huisraad die in de kringloop belandt, de containerpark runs (ik bedoel: recyclagepark) waar je telkens heelder zakken persoonlijke geschiedenis achterlaat voor twee euro vijfenveertig: een zwembrevet van toen je acht was, de melktanden die één voor één belanden in een Tupperware doosje, de antieke meeneempjes uit huizen van overleden grootnonkels, en dan ook die moet-jij-dit-hebben berichtjes in talloze chats waar iets of niets van komt en wat niet komt eindigt evengoed onderaan de vuilzak. Dat alles is wat je niet meeneemt en een vorig thuis sierde in gesloten dozen, de kelder volgestouwd, het tuinhuis rommelig.
“Wat uiteindelijk arriveert, geselecteerd door herhaalde strenge blikken zoals U nog net hier kijkend in de supermarkt of een eigenlijk het-ding-niet waard-ruzietje, datgene onder dit nieuwe dak mag blijven voor weer een reeks jaren tot het opnieuw wordt bekeken met die kritische blik, dat is thuis.”
Zatte studenten om ocharme kwart voor elf, moet ze gedacht hebben, hoofdschuddend mijn monoloog niet aanhorend.
Plaats een reactie