Stilstaand in het vloedende water, de gelige golfslag klotst geruisend tegen al natte kuitjes. Uitkijkend naar het strand, waarnemend tot de dijk staan koppeltjes te keuvelen, hun woorden overstemt door hollende kinderen en een schielijke lach van de dikke man naar links. Wat zeggen ze? Eén wijst, de vrouw, naar iets en lacht. Wat grappig, zo wijzen en toch misschien niet zo grappig als wat ze gezegd zou hebben. Haar grotere partner schaduwt haar, een loensende bewaker in de bres van de natuur. Hun leven speelt zich af voor hun ogen, geluk is de taal waarin ze samen schrijven.
Verder uit zee is het rustig maar hier op de stranden hoor je dat niet. Waar het water kleurt in het zand, de ondiepte weerspiegelt op de schuimlaag, is er enkel drukte te herkennen, een autobaan die zoevende auto’s doet langsschieten. Onrust in de beweging van het tij, de maan trekkend in al haar onzichtbaarheid. Doch daarachter, achter de vloedlijn moet het zijn, de beloofde landen die aanwaaien.
Zij twee draaien om elkaars as, een planeet en een maan, draaien naar de verdere zee. Ginds ligt Engeland, daarachter ligt de oceaan. Nog drie stranden voor mogelijkse rust ontstaat, doorbroken door kolossale scheepsboegen. Hun ogen kijken zo ver niet, liefde hoeft zelden verder dan morgen en morgen te kijken. Rechterhand in linkerhand, de eelt van het land tegen de geoefende pianovingers. De duim streelt de duim. Het water kalft nu tegen vier scheenbenen.
Plaats een reactie