Verloren lopen in de icoontjes op het scherm, een duim die ze elks selecteert in de wachtkamer, de nachtwinkel, de bus om dan te haperen op de routine bij heraanvinken van de eerste. Het besef, zinkend in de dichte braamstruiken, dat je vasthangt aan de appies.
Als grijpende zuignappen op een octupusarm trekken de magnetische apps je aan, misschien is er een update op het nieuws, en anders een beetje scrollen om de tijd te doden. De tijd wordt vloeibaar en stroperig onder je vingers, de ogen zwaar en lui als in een te stoffig boek.
Een kluizenaar die telkens hetzelfde pad bewandelt, de gekende punten waar het gras is weggesleten tot zand door herhaald sloffen. Een monnik die in zijn cel routineus bidt, schrijft, slaapt, bidt. Een vuurtoren die solitair op de kustlijn staat, de oceaan die ertegenaan botst en ertegenaan botst en ertegenaan botst.
Je vingers zoeken dezelfde apps, hoveren huiverend tot er geklikt kan worden en de verveling van het moment enkele ogenblikken uitgesteld is. Klik. Klik. Klik klik klik. Klik.
De blinkende cursor achter elk bericht vraagt je je moeder te sturen.
Plaats een reactie