Hybrides – Hoofdstuk 1

1.

‘Hier poesje poes, kom dan.’  De man zijn stem klonk zijdezoet. De bruin met zwarte lapjeskat keek desondanks achterdochtig, de halve staart traag van links naar rechts zwiepend. ‘Pspsps. Kom naar ‘t visje.’ Een klein stukje makreel bungelde een paar centimeter boven de kasseien van het steegje. De man hield zijn andere hand nonchalant in zijn jaszak.

Achter hem klonk het geroezemoes van dronken voorbijgangers en elke keer schrok de kater terug op, zette aarzelend dan een stapje terug. ‘Kom kom kom.’ probeerde hij nogmaals, weinig gerust in het succes van de avond. Om de een of andere reden werden de straatkatten gewend aan hem, alsof ze onderling over hem spraken. Niet dat de vorige katten veel te vertellen hadden na hij ermee klaar was.

‘Rotbeestje kom dan,’ zei hij soezend en plots draaide de lapjeskat draaide zich om. Een muis schoot door het beetje straatlicht in de steeg en de poes erachter. De man zelf schoot ook in beweging, greep de poes en voor die er erg in had, was de spuit al in het donzige lichaam gezet en leeggespoten.

Het dier haalde uit naar zijn wegtrekkende hand en toen het miste, beet het in zijn vingers maar de dikke handschoen beschermde hem. De eerste kat zijn schema weken uitgesteld omdat hij geen handschoenen had gedragen. Met een harde beweging schudde hij het kwade dier van zich af. Het begon al te draaien van de drug in zijn systeem. De man leunde tegen een regenpijp en haalde een veel gebruikt notaboekje boven.

Plaats een reactie