6 december 2024
Ik werd zes december opgebeld om een uur of negen, half tien (bij nakijken in mijn oproepen was het iets later zelfs: kwart voor elf). Een verpleegster van het AZ monica zei goeienavond en ik vreesde meteen het ergste. Maar in tegenstelling zei ze dat Dominique al de hele namiddag bijzonder alert was en naarmate de avond vorderde aan de beterhand leek. Voor het eerst sinds hij was binnengebracht, had hij zelfs gesproken. Hij had naar mij gevraagd.
Ik repte me naar het Monica. Op dit moment was ik al zover voorbij enkel arts, meer een vriend ook al hadden Dominique en ik amper tijd doorgebracht. Ik wilde dat het beter met hem kon gaan, ik wenste en bidde terwijl ik mijn fiets vastzette aan een stuk reling dat hij zich erdoor mocht slagen. Maar eens binnen in de bekende ethanolgeur en de witte kamer met stille patiënten, zag ik dat dit een heel tijdelijke verbetering ging zijn.
Dominique lag op de ziekenhuislakens met een grijze band rond zijn voorhoofd en voor zijn ogen. Zijn haar was er volledig mee bedekt. Zijn armen lagen op de deken, twee schrompelige dorre takken die met het minste gustje wind konden breken. Zijn nek en borst waren ingewikkeld met doorweekte verbanden en rondom het bed lagen opgehoopte doeken als zandzakjes om de constante druppels op te vangen die op de linoleumvloer vielen.
Ik vroeg een verpleegster die net langsliep waar dat water vandaan kwam, en ze zei geen idee te hebben. ‘Een infuus in zijn arm geeft hem de hele dag door voeding en water, maar bijlange na niet voldoende om zoveel uit te lekken. We weten het simpelweg niet,’ gaf ze nog toe. Ik knikte, en ging bij Dominique zitten.
Met weinig moed vroeg ik hem of hij wakker was, waarop hij zijn hoofd draaide. ‘Hey Abraham,’ zei hij met een dubbele dronkelapstong. Ik schoof mijn stoel dichter en vroeg hoe het ging, en hij haalde zijn schouders op. Hij grimaste bij de beweging, het deed hem duidelijk pijn om te bewegen ondanks de nattigheid. Nu ik dichter zat, zag ik zelfs iets raars. Zijn huid was droog, kurkdroog en krakelig alsof hij aan het vervellen was na te verbranden. Het water sijpelde door de rimpels maar leek de huid niet te hydrateren, niet te raken zelfs. Ik vroeg waarom hij naar me had gevraagd.
‘Ik wil dat je me nogeens hypnotiseert. En ik wil.’ Hij pauzeerde even, en ik wou hem de tijd geven om de woorden te vinden. Zelden is het me zo belangrijk geleken dat iemand in zijns eigen woorden zei wat hij wou zeggen. Na enkele minuten sprak hij verder. De woorden klonken kristalhelder. ‘Ik wil dat je me terug naar het strand brengt.’
Ik antwoordde een tijdje niet. Afwegingen van procedure en gevaar tegen de wil van Dominique en wat weleens een laatste wens kon zijn. Dan zei hij: ‘Alsjeblieft Abraham. Ik ben zo verloren hier.’
Ik begreep dat hij hier zometeen zou sterven, dat hij het voelde aan komen zetten zoals een olifant naar het kerkhof trekt en besloot meteen te handelen. Ik stemde in met zijn wens.
Snel bereidde ik het beetje privacy voor dat de kamer ons kon geven, de deur op een kier en het licht uit, en vroeg ondertussen hem al zich te focussen op een punt ver voor hem. Dan, toen ik zat, vroeg ik het punt dichter te trekken. Iets later sliep hij en ik wachtte maar enkele lange minuten voor ik hem vroeg waar hij was. Zijn stem klonk opgelucht toen hij zei: ‘Ik kan de zee ruiken.’
Ik had verwacht dat hij zou zeggen de zee te zien, maar dat hij ze kon ruiken betekende dat hij heel diep in de droomwereld zat. Ik vroeg snel of hij ook het dorp zag maar hij zei alleen: ‘Ze roept zo zachtjes. Geen wonder dat ik het niet hoorde.’
Ik begon me hoe langer hoe meer zorgen te maken dat ik de verkeerde beslissing had genomen en toen ik uit zijn mond de geluiden van de ruisende zee en dan het klotsende water rond zijn voeten hoorde, sprong ik recht om hem wakker te proberen maken, schril roepend om een verpleegster wanneer zijn naam niets uithaalde. Mijn handen waren kletsnat nu, en de geur van zout vulde de ruimte. Een man kwam de kamer binnen en het licht van de gang viel op Dominique’s benen, waarrond dunne algen zweefden in de ijle lucht. Ik schudde fanatieker aan de verbanden tot die scheurend meegaven en ik de rottende uiteinden vasthield.
Dominique’s ademhaling gorgelde nu, verdrinkend in zijn bed in het ziekenhuis, kilometers verwijderd van het dichtsbijzijnde water, laat staan de warme zee van de Caraïben. De verpleger was fervent bezig de zee uit Dominique’s longen te duwen zonder enig resultaat, en toen brubbelde hij belletjes, echte luchtbellen in de lucht. Ik zette een stap achteruit voor deze transmissie van wezen en ziel, het ongodse mirakel dat ik aanschouwde. Dominique stiet nog een laatste luide schreeuw uit en spatte dan uiteen in honderden piepkleine krill die zwemmend de kamer vulden en dan ijler werden en zelf oplosten in het niets.
Niets bleef over van Dominique in het bed, behalve de natte lakens die nu stonken naar zeewater. Ik ben voor shock behandeld die avond, en toen ik mijn verhaal probeerde te vertellen aan een arts van nachtdienst, gaf hij me een sterke slaappil en schreef me een paar dagen thuis om te bekomen. Hij zei dat het verliesen van een vriend altijd heftig was maar niet om spookverhalen te verzinnen. Ik zei de verpleger te vragen wat er gebeurd was. De man bleek alles te ontkennen. Ik vroeg hem waar het lichaam was en iedereen keek ongemakkelijk maar zonder antwoord te geven. Ik verliet vol woede het ziekenhuis.
Bij de begrafenis ontdekte ik dat er een urn met assen was voorzien en dat de ouders verteld was dat het ziekenhuis snel had moeten handelen bij het overlijden. Ik ben ook daar snel vertrokken.
En nu weet u ook wat er met Dominique is gebeurd. Of u het gelooft is aan uzelf. Ik ben nu verlost van deze verdrinkende man.
Dominique’s laatste woorden weerklinken in mijn hoofd. ‘Ik ben zo verloren hier.’ Hij bedoelde niet dat hij zo zou sterven, denk ik nu. Ik geloof dat hij wou zeggen dat hij zichzelf verloren was, op de bodem van de oceaan.
Plaats een reactie