Ik kan al veertien dagen niet slapen.
Ik kan het niet helpen. Het is niet dat ik lijd aan insomnia, of gewoon niet probeer, zoals sommigen mij verwijten. Ook koffie, of de cafeïne in thee, of een andere stimulans kan liggen; ik moet teleurstellen. Als het zo gemakkelijk was, ik had geslapen. Zelfs het klassieke gebrek aan moe zijn, gaat bij mij niet op. Ik ben moe. Doodop. [Stel je maar voor dat ik hier zucht, of als een lege ballon op tafel lig.]
Veertien dagen. Ik wou eigenlijk dat het langer was, op een manier dramatischer? Wie gelooft nu dat iemand moe is na veertien dagen. Er zijn nieuwe ouders die drie maanden niet slapen. Nu ja, misschien dat zij niet de dood overwegen; een weegschaal met links echte rust, rechts wakker zijn. Wakker liggen.
Dat is het ergste denk ik: Wakker liggen in bed. Naast iemand dat wel slaapt, muisstil, maar wel slapend; God! Ik zou ondertussen wisselen. Ja, ik ben niet meer te trots om dat te ontkennen. Ik zou wisselen. Misschien enkel om het knagen te doen stoppen.
Laat me herbeginnen. Veertien dagen geleden begon het geluid; ik tel het exact omdat ik het moment heb teruggevonden. We waren op een familie uitje in de Vlaamse Ardennen, ik vertik het het dorp te noemen uit angst dat iemand mijn lot wil tarten. Ik hoop ten zeerste dat mijn, indien het zo moet zijn, mij al snel overlevende familie ook plichtsgetrouw dit naslagwerk, dit dan feitelijke testament zal opvolgen.
Een familie uitje in die lichte heuvels ten Westen van de Stad. Heerlijk met de mama — mijn vader is pas twee jaar geleden van ons heengegaan — de twee broers en hun gezin, hun kroost, mijn vrouw Anne en haar zus Martha, die ook vaak aansluit. Hen splitsen lukt sinds het begin van onze relatie niet, Martha vertrouwt me nog steeds maar half, en wij als familie Roermondt leggen er ons bij neer. Een dolle bende. Het plan was een grote veldtocht te maken, scoutsgewijs, ’s avonds uit eten, wat biertjes voor mijn broers (zelf heb ik al jaren geen druppel meer gedorst), licht dronken naar het gehuurde huisje rijden, de volgende ochtend warme pistolets: kinderlijk genot doch heerlijk voor te bekomen van een werkweek.
Het weer dat ons voorspeld was: uitstekend. We zouden zon krijgen, de augustus die ik me herinner uit simpeler dagen — wolken als afgesneden meringue’s — onoverzichtelijk blauw doorbroken door elektriciteitsmasten en hun lui hangende koorden. Het weer dat we kregen: Belgisch.
Misschien ook uit augustus dagen die ik dan niet meer ophaal. De bekende redenen: binnen gesleten achter videotapes en langspeelplaten en verveling.
In elk geval was onze veldtocht kortgeknipt door een ondervertegenwoordiging van paraplu’s, regenbroeken en dikkere stapschoenen. Niemand had slibberige berpassen verwacht in de velden rond […]
Nu: Voor het allemaal zo fataal onweer bergaf ging, hadden een paar van mijn neven een rode bessenstruik gevonden. De doorns op de takken, venijnig puntige jongens, dun en houtig, vertelden mij, als resident botanist, snel dat we met een type slee-, mei- of rozenbotteldoorn te maken hadden. Wat u natuurlijk opvalt, als u ook als ik geregeld te velde trek, is het feit dat we besjes aan de struik zagen, vroeg was. Niet heel vroeg: enkele weken hoogstens. Maar toch. Planten hebben hun interne klok heel flink afgesteld; die zitten eerder erop dan ernaast.
Als u al wist dat de besjes vroeg waren, dan weet u natuurlijk ook dat een doorn op dat moment nog verre van rijp is; die heeft als het ware eerst zelf rijp nodig: Vorst. Maar ik wou mijn neven, ongeïnteresseerd in alles wat geen scherm of jonge vrouw is, toch proberen warm te maken voor de natuur. Ziehier dan mijn blunder.
Plaats een reactie