Knagen – Deel 2

Bij wijze van stoerdoenerij stak ik een hand onrijpe bessen binnen, hopend op zowel een zachte lichting als een reactie als gekke en leuke oom. Wat ik kreeg was van de tieners amper reactie; voor mezelf een mond vol bitters alsof ik slechte gin had gedronken, het type dat in zeekroegen werd geserveerd aan die arme lui die éénmaal om de zes maanden aan land gingen. En dan een nasmaak die de rest van de namiddag door mijn nieuwsgierige tong werd heropgehaald — denk aan een herinnering van schaamte uit de kindertijd voor het slapengaan die telkens opnieuw boven komt drijven. Ook een vorm van proeven. 

Die nacht hoorde ik het voor het eerst, het knagen. Na het lang borrelen, het gezellig nababbelen, de apero’s en de digestiefjes, in de goed verzorgde villa met uitgebreide tuin en binnenzwembad, wanneer iedereen wel en goed sliep en ik kon merken hoe dik de muren in het huis waren door de afwezigheid van enig ander geluid, toen kon ik in de verte iemand net een stuk hout doormidden horen zwoegen met de botste zaag uit de streek. Dit dorre knagen dat mijn leven nu regeert.  

Ik dacht, en zei tegen mijn vriendin: ‘Dat zijn vast mieren of een meelworm zoals de zijderupsen die enkel in het donker en de stilte hun precaire lint spinnen.’ Zij hoorde niets, ondanks mijn aanmoedigingen om stil te luisteren, de adem in te houden, en dan verklaarde ik haar meteen potdoof, in speelse liefde. Over het verre zagen werd er tussen ons die avond niet meer gesproken. Zij draaide zich om en viel prompt in slaap, de regen en de avonddis beter dan welke slaappil. 

Ik daarentegen bleef wakker. Waar eerst de mieren of meelwormen een leuk achtergrondgeluid waren, een nieuwigheid, begon het snel zich vast te hechten in mijn hoofd. Niet dat het toen al luider werd; toch niet zoals ik het nu terugzie. Eerder was het onmogelijk niet te luisteren, niet de aandacht erop te vestigen, steeds getrokken te worden tot het oog van de maalstroom. 

Plaats een reactie