Nog steeds een beetje op wolken aan het lopen!
Waar te starten? Aha! Weet je wat Pascal eergisteren flikte? We pakken doodleuk de bus! We stonden al buiten, ik goed warm aangekleed in mijn bruine knielange winterjas, waar natuurlijk geen mondmasker inzat. De enige plek waar je nog een mondmasker nodig hebt, en Pascal vindt een manier om mij erop te krijgen. ‘Kunnen we onze toekomstige buren zien.’
‘Jij denkt toch niet dat ook maar één van die Brasschatelingen de bus neemt? Wie gaat nu naar een huis kijken, in Brasschaat, met de bus? Wij weer pittoresken. Dit kan maar beter goed zijn, die foto’s leken bewerkt.’
‘Dat heb je al gezegd babe. Meermaals. Komt wel goed. You’re gonna love it.’
Hierna viel Pascal in stilzwijgen. Of ik pakte mijn iphone, dat wil ik hier niet kwijt. In elk geval: wij arriveren in Brasschaat, nog twee kilometer van ons nieuwe!! huis. Ik had echt zoiets van: nee, dit wandelen, nog liever pronto terug. Een taxi of niets, ultimatumde ik Pascal, ik ga niet zwetend door een net proper huis kuieren. De makelaar gaat ons de badkamer tonen en zeggen: “U kan, als u wenst, de faciliteiten even testen?” De schaamte! Ik mag er nog niet aan denken.
Onze taxichauffeur parkeerde ons recht voor de deur, het enige huis in de straat met een verkoopsbord voor de hoge beukenhaag. Hier kon je niets merken van de craze om te kopen en verkopen die de provincie Antwerpen in haar greep houdt.
De poort waar we aanbelden bood uitzicht op een hoek van de villa. Prachtig witte beton zweefde drieënhalve meter boven de grond, ondersteund door pilaren die ons aan het zicht werden onttrokken door een bomenperkje aan de rechterkant. De beton werd doorbroken door een glazen raam met zwarte kozijnen; het volgde prachtig de hoek van negentig graden die de vierkante blok ook maakte.
De oprijlaan was lang genoeg dat toen de automatische poort opzij schoof en de jonge, kokette blondine in lange kokerrok en bijpassende blauwe bloes ons binnen monterde, de kou zich in haar gezicht roodde.
‘Pascal en David? Jullie hebben alles goed gevonden hoop ik?’ Pascal keuvelde meteen in op haar vraag met de natuurlijkheid van twee verkopers die in botsing komen en dit leuk vinden.
Terwijl we dichter de villa toenaderden, bestudeerde ik de tuin. Een tuinman had het gras recent nog afgereden in nette, evenwijdige baantjes. Aan de rechterkant huisden de eerder benoemde verschillende bomen en struiken en tussen die in schuilde een pagode of dergelijks overkoepeld wit gebouwtje. Ik schatte de oppervlakte van dit kleine bosje op een drietal are, perfect als speelterrein voor onze twee toekomstige kinderen (of drie, als ik Pascal zover kon krijgen).
Memo voor later: twee van mij, natuurlijk, twee jongens, en van dezelfde draagmoeder. Misschien heb ik geluk en krijgt ze via de procedure een tweeling.
Pascal kan dan kiezen wat hij leuk vindt!
Terug naar het verhaal: de villa verscheen met elke stap, rees achter het speelterrein op. In de volle hoedanigheid had het iets ongewoon sierlijks voor zo’n moderne cementbouw. Ik stopte zelfs even in mijn gang, overweldigd door de plotse schoonheid van de grote architecten: Wright en Le Corbusier, hier, in Brasschaat…
De gevel strekte zich schijnbaar oneindig naar de achterste beukenhaag, immaculaat wit dat eerst zweefde in het ijle en dan plots spiegelde en op de grond verder ging, de overgang aangegeven door een rij platte kolommen die in hoogte daalden, als een zaagtand. De gelijkvloers had eenzelfde dalende lijn, die de voordeur verborg. Het leek of de architect vier kwadranten op een rechthoek had getekend, en de twee tegenoverliggenden – linksonder en rechtsboven – had weggegomd. Nog steeds is dit effect ongelooflijk, zelfs nu, na alles.
De gelijkvloers, die dieper gelegen lag onder de uitsparing van de overhang, had een inkijk in het huis. Men had de gordijnen open gelaten aan weerszijden van de bouw en zo zag je ook weer de vertes voorbij het huis. Terug dat knappe geveleffect, dat lange tot de beukenhagen, maar nu in de diepte. Prachtige oneindigheid. Ik was verliefd. Ik wilde daar en toen tekenen.
‘Laten we het kopen,’ fluisterde ik terwijl de makelaarster ons de deur opende. ‘Het is prachtig. Ik hoef de binnen zelfs niet te zien.’
‘Ben je gek?’ fluisterde Pascal terug, altijd logisch op mijn impulsieven. Ik kon niet aandringen omdat hij me door de voordeur drong, in de armen van onze attente luistervink, die wel meteen wou tekenen natuurlijk. Het was de ruzie niet waard om dan al Pascal in het harnas te jagen. Ik moest het rustiger aanpakken, een opgave naarmate de huistoer vorderde.
Het eerste dat me opviel was hoe warm ze het huis gestookt hadden, dampend heet haast. Terwijl de makelaarster zich voorstelde als Veerle en zichtbaar haar schouders ontspande, begreep ik het ook wel, die hitte. Als een robotje begon Veerle aan haar babbel: net de carport gepasseerd, u zag de inkijk boven, een mogelijke slaapkamer. Ik luisterde met een half oor, zeker van Pascal zijn oplettendheid.
Ik schrijf duidelijk niet met de hand, ik rond hier even af. Vandaag is er toch niets gebeurd dat noemenswaardig voor dit dagboek is.
Plaats een reactie