Ik strek mijn armen naar achter, de botjes in mijn wervel loswekend na het uren stilzitten op de bureaustoel. Spieren wringen lekker tegen. Wat ik nu nodig heb is een goeie tour lopen. Niet nog een meeting.
Ik draai mijn nek, en zie het poesje liggen op zijn stoeltje aan de radiator, aan de andere kant van de kamer. Dutsje daar zo mooi slapen, het kopje net gedraaid naar mij zodat hij en ik oogcontact maken. Hij strekt nu ook, zo schattig. Ik leg mijn arm in het verlengde van zijn poot, en ondanks de drie meter tussen ons in, de lengte van de kamer, zijn we toch even verbonden.
Ik breng mijn arm naar beneden en wil net terug naar het scherm kijken, wanneer ik merk dat Gieter zijn pootje precies dichter is gekomen. Ik steek mijn arm terug uit, misschien is het iets met gezichtsbedrog, maar nee. De poot is dichtergekomen. Is nog dichter aan het komen. De poot nu onnatuurlijk ver van het kattenlichaam verwijderd, en toch nog verbonden met een dunner wordende vacht.
Terwijl ik kijk, zie ik hoe het lichaam van de kat spant en trekt, en dan hoor ik het eerste botje breken met een natte plop. Het lichaam van de kat wordt leger naarmate de poot strekt. Ik zie nu hoe de poot die meer dan een meter lang is geworden bijna mijn eigen hand raakt. Toch trek ik hem niet weg. Ik kan het niet. Mijn arm hangt roerloos te wachten op de aanraking van de kat.
Dan zie ik uit mijn ooghoek hoe Gieter de bureau komt binnenwandelen. Ik zie nu ook dat Gieter op de stoel in de verste verte niet lijkt op de Gieter die naast mij staat te blazen naar zijn bedrieger. Eerder op een fossiele reconstructie van een katachtige, de vacht onzorgvuldig erop gekleefd met verschillende toefjes kleur. Mijn arm blijft hangen, onmogelijk om nu nog weg te trekken, de laatste vijf centimeter wordt traag overbrugt.
De poot raakt mijn hand en ik kijk verstijfd hoe die gespannen huid met vies haar over mijn eigen vingers streelt. Ik voel me misselijk worden. Plots valt mijn oog op een stuk van de lange poot die niet bedekt is met vacht. Een stuk geel dat daar niet thuishoort piept tussen de kleuren door.
Met dit te zien, kom ik uit mijn verlamming en stroop de kattenpoot af, die zich meteen doet breken en slap gaat hangen. Mijn ogen worden groot bij het zien van wat ik vastheb. Een lintmeter met een stuk plastic buis eraan, iets wat in mijn garage ligt.
Ik wandel naar de poes, dat geen poes is maar er net genoeg op lijkt en zie een gniffelende David zitten onder het bureau van mijn vrouw. Bij het zien van mijn gezicht begint hij te schaterlachen, en ik begin ook te lachen, nu de schrik van het wezen dat op de stoel lag geweken is. ‘Kom,’ zeg ik hem onder het bureau uithalend, ‘Laat papa maar verder werken.’
Plaats een reactie