Het staat stil, ginds bij de bloeiende boom, mijn prooi. Mijn oog viel er toevallig op, vandaag heb ik geluk want de jacht eindigt met de zon nog hoog. Ik moet het enkel pakken, zo simpel doch voorzichtig sluip ik dichter. De herfstblaadjes kraken niet onder mijn getrainde stappen. Ik wacht bij een briesje. Mijn geur is gemaskeerd, net nog gewassen, maar elke schuchtere beweging kan mijn prooi doen ontsnappen.
Zo succulent dat het vlees glanst in het zonlicht, rode leren huid waaronder zoet, sappig vlees gegroeid is. Voor mij. In mijn halfdicht genepen oog verkleint de wereld tot mijzelf, de boom en erachter de buit. Nog een kleine stap, en dan de sprint.
NU.
Ik ren, spring hoog, grijp met beide handen, voel hoe alles tegentrekt en dan loslaat en ik land behendig, rol eenmaal en dan, worstelend, zink ik mijn tanden door de huid van de appel.
Plaats een reactie