Dagdromen – 23 april

De party was een groot succes. We hadden vrienden uitgenodigd, maar ook onze ouders en broer, zussen, families, het was die avond koppen lopen. Onze buren trouwens ook, maar die kwamen niet opdagen. Typisch dat volk hier.  

Iedereen had het naar hun zin, Pascal en ik nog het meest. We hadden voor de gelegenheid nieuwe smokings gekocht, een traktatie nu we de opwaartse mobiliteit te pakken hadden en zagen er fantastisch uit. In en rond onze prachtige villa keuvelden en kuierden trotse, meewarige of afgunstige bekenden. 

Pascal was de ganse avond de perfecte host en ik verzorgde de kantjes, de moeilijkere relaties, masseerde hier een moeizaam gesprek, daar een op tilt slaande ruzie, navigeerde mensen kamers in, kamers uit, toonde recente exen enkel elkaars ruggen, wij powerduo met, ik moet ze noemen of ze geven me ervan langs, in onze ruggensteun onze beide ouders, die hun handen evengoed vol hadden. 

Doorheen de avond viel me op hoeveel mensen verkozen om in de pagode samen te komen, ondanks de toch nog afgekoelde avond. We hadden vuurtjes gezet en verspreid over het terrein, maar op een bepaald moment heeft een nonkel van Pascal toch met keukenhandschoenen één zo’n korf naar de toekomstige speelplek versleurd. Licht brandgevaar, gelukkig had het geregend. Het volk dat daar samenhoopte verspreidde ik gestaag naar andere plekken, ik kon er niet bij dat het aangenaam was daar tussen de stammen.  

Ik zag het toen niet, maar nu zie ik het wel. Heel veel mensen die ook samenhokten in de berging. Halfuurlijks moet ik die geleegd hebben. 

Uiteindelijk, toen de nacht wel en goed gevallen was, zijn ook de gangen en kamers gevuld geraakt, wat toch het doodse gevoel verminderde van een feestje waar iets mis is. Het zal ook wel aan de hoeveelheid cocktails hebben gelegen die de twee ingehuurde “lakeien” serveerden. Met het vallen van de nacht, vloeit het vele gerstenat, en plots kan iedereen wel met iedereen praten. 

Maar zoals ik al zei: het was een succes. Tot een kot in de nacht draaiden, palaverden, dronken en riepen we allen onze zelfde uitspraken als steeds over de nieuwe lentegrond uit. De kater zou ons pas des ochtends vinden, warrig in bed. 

Van de paar gasten die bleven slapen, kon iedereen wel mee boven liggen in de extra kamers. Enkel Dries moest in de lange, nu-uit-de-toon-vallende divan liggen (we hadden van mijn ouders mooie, splinternieuwe designerzeteltjes gekregen). Dries maakte er gelukkig geen punt van. 

Juist Dries. Iets wat me nu ook te binnen schiet: ’s morgens stond ik als eerste op, fris, ik had veel gedronken maar ook voldoende watertjes naar binnen gehesen, net als Pascal. Goede hosts zijn niet dronken. Ik vond mijn weg naar beneden, heerlijk stil alles, geen gekraak of gesteun van het huis zoals in Berchem. Geen langsrijdende trams ook niet… Een verademing. 

Beneden groette ik Dries die ook al wakker was, een mok koffie in de hand, naar buiten kijkend naar onze tuin. Ik nam zelf ook een espresso uit de machine, en terwijl die opronkte ging ik naast Dries staan. 

‘Gisteren leuk gehad,’  vroeg ik, kijkend naar de hoge, verre beukenhaag over het altijd nette afgesneden gras. Even een memo: Dries was een vriend van Pascal op de studentenvereniging, een wat rare snuiter. Niet slecht, niet vrouwen ’s nachts over straat achtervolgend, gewoon wat speciaal. Ik had Pascal eens gevraagd of Dries autisme had om daarmee flink op Pascals tenen te stappen. Nu naast hem staand kon ik die indruk weer niet laten varen. Hij reageerde namelijk een hele tijd niet op mijn vraag, verkoos de stilte boven mijn gesprek. 

Na een minuut ofzo gaf ik hem een zet en herhaalde mijn vraag. Traag draaide zijn hoofd en met de kleinste oogjes van de vermoeidheid keek hij me aan. Hij murmelde iets onverstaanbaars en ik vroeg hem of alles ok was, licht bezorgd nu. Hem beter bekijkend dan een vlugge blik op weg naar de espressomachine, zag ik dat hij niet van kleding was gewisseld, de aangeboden pyjama nog op de stoel bij de eettafel. Daarnaast had Dries ook de dikke slaapzak alleen uitgespreid op de divan maar die lag er niet beslapen bij. 

Omdat hij niet reageerde, voelde ik me genood om hem even aan tafel te zetten, voor hij hier op de overloop instortte van vermoeidheid. Ik nam de tas koffie van hem over, voorzichtig omdat die vol was en zag eerst de brandblaren op zijn palm, en dan voelde ik hoe koud de mok was. Hij had die niet nu net gezet! ‘Hoelang sta jij hier al?’ kon ik niet nalaten te vragen, terwijl ik hem aan het keukeneiland zette en de koffie in de gootsteen achter me uitgoot. 

Toen ik me omdraaide, sliep hij oncomfortabel met zijn hoofd in zijn nek naar achter. Ik schudde het hoofd, weet het allemaal aan mijn autismediagnose en nam het kopkussen van de divan, gefocust om hem het wat makkelijker te maken. Het kussen plaatste ik onder hem, zijn hoofd voorzichtig op de tafel stuttend, toch een betere positie dan zo achterover en zocht iets van verzachtende crème voor zijn hand. Nadien ging ik met mijn eigen koffie Pascal wakker maken.  

Plaats een reactie