Dagdromen – ergens in juni

Enkele weken na het feestje, een zaterdag moet dat geweest zijn, ik herinner me dat ik die avond ervoor was uitgeweest – ik kwam in elk geval laat beneden, een uur of twaalf, en in de gang vond ik Pascal, doodstilstaand, de blik op oneindig. Ik fronste, kwam achter hem staan en keek zo over zijn schouder naar: niets speciaals. De gang van witgrijs ongeschuurd beton met in het verlengde de tuin, mooi gekaderd zoals in een filmshot.  

Ik wist niet goed waarheen hij zo intens staarde, dus haalde mijn schouders erbij op en tikte op zijn schouder. Pascal verschoot niet, keek simpelweg over zijn schouder en zei iets als: “Jij bent vroeg op.”, op zo’n montere, opgewekte toon dat ik geen tijd had om hem te corrigeren. Ik was ook aan het kateren, mijn hoofd was niet de snelste kogel in het laatje. 

‘Heb jij ook zo’n dorst,’ riep Pascals nu vervormde stem tot mij uit de woonst. Ik wandelde die binnen en zag hem uit de berging springen, zijn ogen nauwe spleetjes, in zijn hand een geopend brik jus d’orange. Dankbaar nam ik het glas aan dat hij me aanbood. 

‘Baby,’ zei ik onwennig, zittend in de hoge kruk aan het eiland, hij staandleunend ertegen. ‘Baby het is al middag.’ 

Hij glimlachte knap en zei: ‘Tuurlijk.’ 

‘Ja maar, jij zei daarnet…’ Ik kon niet anders dan fronsen. Had ik hem net zó verkeerd verstaan?  

Voor ik het wel en goed besefte volgde ik in het ritme van zijn conversatie, zijn vragen beantwoordend over gisteren, vannacht.  

Toch bleef er iets knagen. Hij was te… Te opgewekt misschien? Te hard zijn best aan het doen: hij deed of hij terug host op ons feestje was, mij vooral op mijn gemak stellend. Nu kan ik het zien ja, zoals hij daar zo stond te draaien als een DJ, alle hits die goed werkten, de moeilijke overgangen handig omzeilend in ons gesprek. 

Hij moet het toen ook al gevoeld hebben; daarvan ben ik nu wel zeker. Oh mijn arme baby. Mijn schuld. 

Plaats een reactie