De tekenen stapelden zich vanaf dan op, duidelijker nu in de spiegelende terugblik. Telkens hetzelfde liedje: ik vond hem ergens, starend in de verte van onze tuin en als ik hem beroerde zei hij dat hij er net stond.
Ik heb hem keer op keer uit zijn dagdroom zien opstijgen en meteen verder zien doen waarmee hij bezig was. Met koud water verder afwassen of dweilen; hem roepen voor het middageten op zijn thuiswerkdag en hem in de bureau vinden zonder zelfs maar ingelogd te zijn; afgekoelde koffie drinken; een staar ontwikkelen in één oog, die hij ook ontkende. Een keer, hij naakt in de living staand, koud kippenvel over zijn borstkas en een plas water rond zijn voeten (zijn haar was toen zelfs gedroogd) en dan zich droog gaan afdrogen.
En ergste van al: hij geloofde zelf niet dat er iets mis was. Telkens vroeg ik hem hoelang hij had gedagdroomd en telkens zei hij: “Enkele minuten.”
Dit duurde tot ik er een keer echt genoeg van had en in plaats van hem te wekken toen ik hem tegenkwam, mijn camera neerpootte in de ruimte en dan het huis ben uitgegaan. Kwaad dat ik toen was.
Ik moet lang hebben rondgereden, mijn gsm niet bij de hand natuurlijk, die filmde hem. Ik wou dat hij het voelde. Ik wou dat hij eens mijn afwezigheid mocht voelen. Mijn vitriool liep over, en hij moest lijden.
Die avond toen ik terugkeerde en de auto onder het huis parkeerde stond hij me niet op te wachten. Toen ik binnenwandelde met bonzend hart, zijn naam op mijn droge lippen maar niet durvend te roepen: een diepe angst benauwde mijn hart. Ik wist wat ik ging aantreffen. Ik wist het toen.
Hij geloofde me dan wel, denk ik.
God. Om hem te zien staan op dat filmpje, in profiel, onbeweeglijk terwijl de oktobernacht de ramen verduistert en hem reduceert van duidelijke figuur tot schim op het beeld. Ik had bewijs nu, hij geloofde me. Ik koesterde nog hoop dat er iets gedaan kon worden.
Plaats een reactie