Sindsdien sloten de dagen zich aaneen, als een loden ketting. Die eerste week waar ik een kamer binnenwandelde en dan zocht naar Pascals vertrouwde, vierkante vorm. Ik ben ook vaak uitgezoned geweest, dagdromend over ons, over hem vooral natuurlijk. ’s Nachts keek ik aan een stuk door video’s van ons, tot een keer omstreeks begin januari.
Ik wou in bed gaan liggen, het was laat, een uur of twee, ik had beneden nog gedronken om de ochtend aan te kunnen. Een slechte familiegewoonte. Ik wandelde de trap op en het volgende ogenblik keek ik door een verlicht raam naar buiten, mijn voeten deden pijn, net als mijn billen. Het duurde tot tien minuten woelen onder de dons dat ik doorkreeg dat er iets niet pluis was. Toen pas begreep ik dat ik “eruit” was geweest.
Maar ik moest zeker zijn. Ik had misschien een overstrest moment, zoals de artsen hadden gezegd? Alles om niet te geloven wat de waarheid was. Mijn brein greep zich vast aan de natte modderdijk om niet in het kanaal meegesleurd te worden.
Ik dacht, nog steeds onder mijn dons, mijn hoofd nu er mee onder in die duisternis: misschien kan ik mezelf filmen? Maar dat betekende mezelf terug blootstellen aan de ramen, wat ik niet durfde. Wat als ik nu erin bleef? Ik kon dat niet, kan het niet, begrijp ook niet hoe Pascal volhield, hoe hij in Godsnaam is terug gekomen naar hier?! Terwijl hij het… Wist?
Misschien had hij het oprecht niet door? Misschien is de enige reden dat ik het dan doorhad, dat dat kwam omdat ik het bij hem gezien had. Geloofde Pascal mij op het einde, zelfs met het videobewijs?
Ik meen het: het is echt heel summier, het gevoel dat je krijgt na zo’n lang moment staren. Je gedachten pikken ook precies op waar je bent gestopt. Maar terwijl je weg bent, ben je leeg. Ik krijg enkel dit pervasieve gevoel van rood alomrond me, de avondzon door amberkleurige gordijnen, die me insluit, heerlijk aansluitend, warm als een bad.
Ik moet lang onder mijn dons hebben gelegen, willen bellen naar hulp en me tegelijk zo schamend voor mijn angst om gewoon door mijn huis te wandelen.
Wat ik uiteindelijk deed was met mijn ogen toe de slaapkamer uitstappen, op de tast de overloop en de trap vinden, voorzichtig proberen de voordeur te bereiken. Niet zo simpel, ook al denk je dat je een huis kent.
Toen ik dan toch de klink vond, de sleutels nog in het slot, hoorde ik de lucht fluiten en, met ogen gesloten, trancete ik voor uren.
Wanneer ik bijkwam wist ik perfect waarmee ik bezig was, mijn hand nog met de sleutels in het slot. Ik repte me naar buiten, waar de nacht gevallen was, en vluchtte naar de eerst beschikbare locatie: de pagode. Daar, huiverend in de koude, overzag ik ons huis dat er in de nieuwgevallen sneeuw extra groot uitzag, zich als een wachtend beest klaarhield, de muil kalm opengesperd.
Ik verging van de honger, van de kou ook, ik had mijn kamerjas nog aan en verder eigenlijk niets. Geen gsm blijkbaar, die zal nog binnen hebben gelegen, en toen ik tot onze poort kwam, merkte ik dat die niet handmatig open kon, de motor onbedienbaar zonder sleutels.
Ik ben over onze poort gekropen, blij dat die geen stekels heeft op de groene top. Op blote voeten ben ik de asfalten straat opgegaan, rillend en wandelend naar de stad, mijn geest de logische stap naar buren overslaand. Ik moest eerst eten, en eten kan niet in de woonwijk, dat moet in het centrum.
Hoe alle focus gewoon wegloopt uit je lichaam…
Na tien minuten heeft een combi mij opgepikt, de warmte in de cabine mij soezend omhelsend. In de paar minuten voor ik in zwijm wegviel, moet ik genoeg wartaal hebben uitgeslagen, dat de twee agenten mij in AZ Klina incheckten, waar mij een lichte onderkoeling werd toegeschreven.
Men zegt altijd dat je geluk hebt dan, dat het maar licht is, maar het deed verdomme veel pijn.
Mensen kwamen langs, familie eerst, ook die van Pascal en men zei dat ik een “episode” had gehad, dat de dood van Pascal mij tot waanzin dreef en ik moest luisteren en zwijgen naar hun raad en hun beloftes om mij niet alleen te laten (wat ik verwelkomde). Ondertussen zei ik dat ik niet in het huis kon blijven wonen, dat de herinnering aan Pascal er te hard hing. Mijn ouders gaven tegengas, hun gebruikelijke argumenten maar ik kreeg steun van Pascals moeder. Zij snapte hoe de kamers van vroeger, waar Pascal nu nooit meer zou rondwaren, hoe zij die ook meed bij hun thuis.
Na een kleine dag werd ik ontslagen uit het ziekenhuis, het bed heropgemaakt en ingenomen door iemand anders voordat ik in een rolstoel was uitgeleid. Ik sliep een paar weken bij mijn ouders, ondertussen de makelaarsfirma gebruikend om de verkoop te leiden. Er zou verlies zijn, verzekerden ze me via mail, maar het kon mij weinig schelen. Zolang het huis weg zou zijn.
Elke keer dat ik het bezocht, was ik met anderen erbij: mijn ouders of vrienden zodat ik niet alleen in een kamer zou belanden. Ik was als de dood voor de lange, eenzame momenten van opruimen die gepaard gaan met verhuizen en wilde eigenlijk altijd een opzichter. Ik heb geen enkele keer iemand zien dagdromen terwijl we het huis leegden.
De enige keer dat ik er nog moest zijn, was voor de overdracht, en door het huis te wandelen met Veerle.
Plaats een reactie