Dagdromen – 18 februari vandaag

Vanmorgen stond ik vroeg op bij mijn ouders, nam hun auto tot ons nu-verkochte huis in Brasschaat en parkeerde voor de poort, de sleutels klaar om te overhandigen zodra Veerle arriveerde, iets wat ze pas zou doen om negen. Ik was er om half acht, aangetrokken tot dat nog steeds mooie witte huis, uitstekend als een boeg naar de brede, perfect gelijnde tuin. Door de poort leek het huis kleiner, gevangen in de spijlen groen staal en ik dacht dat ik me misschien aanstelde, dat nu het huis leeg stond, met Pascals overlijden dunner geworden – hoe snel dat je overvalt!! – ik me mogelijks toch door een waanzin had laten overspoelen? Het leek me mogelijk, logisch zelfs, daar in de warmte van mijn auto dat het huis niets kwaads in de zin had. Dat wat Pascal was overkomen, dat dat pech was en niet… Wat ik in mijn hoofd was beginnen denken. Dat het huis zelf Pascal had geleid naar het zwembad. 

Terwijl ik daar zat te wachten, de verwarming in de auto blazend, zag ik de regenwolken die mijn hele rit boven de Kempen donkerden, hun lading samenballend. Voor te lang zou het regenen, en ik dacht dat ik misschien mezelf aanstelde, zo voor de poort te wachten. Wat zouden de buren nu wel niet denken: “Daar is die homo weer”, “Heb je gehoord van zijn vriend”, “Zo triest maar je weet hoe zoiets moet zijn”.  

Na vijf minuten brak inderdaad de wolk boven ons en roffelden dikke druppels op de dunne plastic van het autodak. Het waterdeken dikte het huis uit het zicht, en met het verdwijnen voelde ik iets afnemen, iets zich omdraaien in een ijl roodverlichte gang en beginnend wegstappend. Ik deed de poort snel open met de automatische sleutel en reed binnen, de auto parkerend onder de carport, het huis mij borgend uit de regen.  

Ik doe toch niets fout, zei ik nog tegen mezelf, alsof ik niet eigenaar nog ben tot de 28ste. Maar het voelde wel alsof ik een regel overtrad, een wet doorstak. Ik voelde me om eerlijk te zijn een verslaafde die een café binnenwandelt. Ik ga niet drinken, zei ik tegen mezelf, ik ga gewoon kijken naar het volle glas. 

Nu hier onder de luifel kon ik binnenkijken in het huis, uitkijken dus naar de andere kant van de glazen wanden. De gordijnen waren opengeslagen en het huis leeg ontruimd, prachtig weids in de eenzame onbewoondheid die nieuwe huizen zo kenmerken. Minimalisme moet toch daar vandaan komen, de belofte dat je woonplek vooral ooit nieuw was, en nu terug snel tot die staat kan keren.  

In alle geval moet ik aan het staren zijn geslagen, niet dagdromen, daar ben ik zeker van. Gewoon uitkijken naar de regen aan de andere kant van de villa door de twee keer dubbele glazen vensters. Dikke druppels die daar het perfecte gras natten, de lange rijen die altijd mooi in metersbrede kolommen naar de heg en terug tot het huis liepen. Ik voelde dat aangename pleasende weer, dat mooie prachtige verre. In gedachten stond ik met mijn neus tegen de vensters, in realiteit zat ik veilig in mijn auto. 

Maar die veiligheid trok zich weinig aan van mijn zucht naar het rondkijken in het huis. Ik stelde me nog dingen voor: de hoge grijsbetonnen muren die de uitzichten zo kaderden of de zwevende trap in de muur; de overlopen van ondoorbroken wit; de keuken dat barre eiland afstekend, nee: uitstekend uit de zee, oprijzend de vulkaan!  

Dat is het moment dat ik Veerle belde. Hoe stom het ook mag klinken, ik dacht aan dat keukeneiland, aan waar ik Pascal zo vaak rustig zag kijken naar buiten, zijn hand zijn kin ondersteunend, en ik moest het huis behouden. Dit was ons stekje, en het nu zo van de hand doen was fout. Was pissen op zijn graf. Ik belde Veerle en vertelde, en schreeuwde dan, dat ik het huis niet zou verkopen en dat ze de berg op kon. Toen ben ik naar binnen gegaan. 

Als ik net nog het glas voor mij had staan, gevuld met bier of een klein shotglas gin, of een van condens glinsterende cocktail met doorsneden sinaasappel in de kraag, dan dronk ik nu lang en diep en zoog dan de sinaasappel uit. Binnentreden was als ademhalen bij het bovenkomen in de oceaan. Het was de zwevende geur van een verse appeltaart in kinder cartoons, het was klaarkomen zonder schaamte, het was het mes in je hand zetten, een vinger afknippen met een heggeschaar gewoon om te voelen hoe het bot zich zou verzetten, het was adembenemend en ik was verloren. 

Dolend dwaalde ik door het lege huis. Uren en uren moet ik gewandeld en gestaan hebben op dezelfde plekken die ik kende als oude vrienden, herbezoekend, een praatje slaan, dan weer verder slenterend en nietsziend allesomvattend zijn. Hoe aangenaam kinds klein ik me voelde in dit grote eenzame huis waar kamers zich precies voor mij metselden terwijl ik hen toewandelde, traag achter die schim die in de ijl verlichte gang mij voor ging.  

Dieper gingen wij twee, het huis in. Ik kwam niet meer op plekken die ik kende, mijn ogen al lang niet meer dienend voor te zien wat was. Nee, hier dieper waren de zintuigen die ik niet kende mijn gids. Eerst altijd dat zuchten zo zacht en lieflijk in de rood-donkerende gang. Dan met mijn tenen over de ongewreven beton wrijvend en zoekend in mijn trage passen naar de juiste plekken om te staan. Mijn neus, mijn mond zelfs die de perfecte lucht proefde alsof ik een slang was! Dieper gingen we, werd ik voorgeleid om te penetreren in het diepste hart van ons huis. 

Rood hing rond mij als een ondergaande zon. De wereld vernauwde zich dan rond de figuur die ik wist voor mij was, bijna grijpbaar nu in de nauwer aansluitende zonnestralen errond gebogen. Ik wilde die figuur, ik wilde liefde bedrijven ermee, ik wou mij ook zo ontvouwen dat de zon mij aansloot als een wetsuit en warmte zich aan mij klampte en in mij goot, zelfs moest ik daarvoor de laatste rivier oversteken! Op dát moment stopte de schim voor mij, de spikkels zwart en rood die schertsend dansten – ter plekke zwevend en iets omklemmend dat dan een diepe zwarte duister opende voor ons. En in een gebaar van universeel begrip, signeerde de figuur mij door te stappen.  

Ik halterde voor één seconde, stokkend bang dat in die duisternis een korte afgrond lag met aan de bodem opstekende keukenmessen die mijn lichaam zouden doorboren. Eén enkele seconde en dan vervolgde ik voetstaps mijn weg langs de schim wiens vorm lichter werd naarmate ik dichter kwam en opging in het niets toen ik passeerde.  

Plots stond ik in de berging van ons huis! De deur viel dicht achter mij, verkeerd sluitend want die gaat naar buiten open en ik stond poedelnaakt in de koude, dode berging waar een schimmig peertje aan het plafond dun licht gaf. Weg was de warmte en het rode dat mij vulde, weg waren de mooie zuchtende tonen en de langgerekte tongzoen. Lekkend merkte ik hoe opgewonden ik was, en hoe koude zich in je wurmt, ijspegelend naar binnen. 

De angst volgde snel. Hier, alleen, in het huis waar Pascal gestorven is en dat ik ging verkopen om exact deze reden! Waarom ben ik hierbinnen beland? Hoe kon ik zo stom zijn…  

Ik probeerde iemand te bellen, mijn ouders, vrienden, Veerle maar de beltoon gaat niet door, de muren te dik hier in deze kleine bunker. Omdat ook alle wifi weg is hier kan ik niemand bereiken en moet ik wachten. Het is nu twee uur ’s middags, en ik verga van de dorst. Gelukkig is er niets in dit huis, anders zou dat me misschien ook lokken. 

Het enige wat ik heb kunnen doen, was dit dagboek herlezen en nu het aangevuld is, kan ik niets meer doen. Het is hier zo koud. Alsof ik op een groot ijsblok zit. In mijn droomtoestand was het tenminste warm… 

Wacht, ik hoor voetstappen. Misschien is iemand mij komen zoeken…  

Plaats een reactie